Een psycholoog vertelde me dat de laatste vijftien jaar de samenleving – en niet alleen de Nederlandse maar mondiaal – meer en meer gehoor geeft aan emotionele argumenten en dat ratio er minder toe doet. In de politiek is dat zichtbaar doordat sommige politici en politieke partijen zich weinig gelegen laten liggen aan feiten, maar vooral gevoelsmatige aspecten belangrijk vinden. In het dagelijks leven van iedereen zie je dat terug in het veelgehoorde credo dat het ‘wel goed moet voelen’.
Ik merk dat ik er slecht tegen kan dat de emotie zo’n belangrijke plek heeft veroverd in het leven. We roepen maar wat met elkaar en of het feitelijk juist is wat geroepen wordt, dat doet er vooral niet toe. Met elkaar reageren we voortdurend op elkaar, maar vooral op betrekkingsniveau. Goed voorbeeld hiervan is de laatste kersttoespraak van de koningin. Natuurlijk mag je je best afvragen of het nu juist de koningin moet zijn die ons waarschuwt voor geldzucht en een verantwoorde manier van omgaan met het milieu. Zij is immers niet bepaald armlastig en neemt vrijwel altijd het vliegtuig, zelfs voor een vlucht van Den Haag naar Antwerpen (staatsbezoek België – 2006). Maar de emotie die de toespraak oproept is kennelijk het enige waarover iets gezegd kan en mag worden. Elke poging om de inhoud centraal te stellen of om daar serieus op in te gaan wordt teniet gedaan door emotionele oprispingen over de vermeende rijkdom van de koningin. Zo ebt een bijdrage aan een discussie over de manier waarop we met onze wereld omgaan, weg.
Theodore Dalrymple gaf onlangs in VPRO’s Wintergasten ook een voorbeeld van de emotionele samenleving. Hij stelde dat rituelen rond begrafenissen steeds grotesker worden. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kreeg een overledene een simpele kruis of grafsteen op zijn of haar graf na een sober, al dan niet kerkelijk, afscheid. Nu wordt niet zelden die plechtigheid een aaneenschakeling van grootse emotionele momenten en dat graf een monument, compleet met foto’s, schilderijen, een standbeeld van een geliefd huisdier, knuffels, en andere snuisterijen. Bezoek maar een willekeurige begraafplaats en zie hoe expliciet de tekenen van rouw zijn geworden. Maar al die emotionele tekenen zeggen helemaal niets over de daadwerkelijke rouw of het gemis. Rouw en gemis vind alleen plaats in het eigen hart. Maar met dát gevoel, daar kunnen we niet zo veel meer mee: want ook rouwen moet wel een ‘beetje goed’ voelen. Maar ook moet rouw zichtbaar gemaakt worden, want anderen moeten kunnen meevoelen – dus zien – hoe verdrietig je bent. Dus is het begrafenisritueel uitgegroeid tot big business van tamelijk bespottelijke proporties. Dat moet ook wel, want zo’n ritueel is de enige plek waar je als rouwende nog verdrietig mag zijn. Daarna moet dat verdriet tot aanvaarde proporties zijn teruggedrongen, want ook voor de naaste omgeving moet het rouwen leuk blijven. En het is niet leuk, als dat rouwen wat langer duurt dan wenselijk. Tot werkelijke compassie zijn weinigen bereid.
Een samenleving die oppervlakkige, zichtbare emotie boven ratio stelt, sluit zich ook af voor kritiek. Want emotie moet vooral positief gelabeld worden, anders is zo’n emotie niet veel aan en valt het leven nauwelijks te leven zonder in een immense depressie te tuimelen. Daarom kan het ook geen diep doorleefde emotie zijn. We willen het vooral oppervlakkig houden. We laten ons daarom graag leiden door de waan van de dag: van de ene emotie naar de ander, van het ene voelt-goed-moment naar het andere. Overigens, collectieve rouw of uitingen van verdriet zijn óók zo’n voelt-goed-moment. Niets is fijner en beter voor het saamhorigheidsgevoel dan samen te treuren.
Dat positieve emotie zo’n belangrijke plaats heeft weten te veroveren zie je door de hele samenleving in alle geledingen terug. Kritiek kan nauwelijks gegeven worden want dat voelt niet goed en de criticaster wordt al snel om de oren geslagen met emotionele oprispingen: ‘Mijn hemel, is de Majesteit stiekum lid geworden van Groen Links?’ twitterde – met kapitale spelfout – Geert Wilders. Ook in het persoonlijke leven is kritiek vrijwel uitgesloten. Partners leven vaak volledig langs elkaar heen en zijn vooral niet (meer) bereid zichzelf weg te cijferen om de ander te kunnen laten ontplooien. Want met wegcijferen moet je zien om te gaan met een negatieve emotie en dan voelt de gang van zaken even niet zo goed. Daartoe, om in gelijkwaardigheid en volgens een geven-en-nemen-principe met elkaar te leven, zijn we niet zomaar meer bereid. Sterker, we worden er boos en opstandig van, krijgen een kort lontje, gaan schreeuwen en schelden.
Een emotionele samenleving waarin de dingen voor elk individu ‘goed moet voelen’ levert op den duur veel narcisten op. Dat beloofd nog wat als we uiteindelijk teruggeworpen moeten worden op waarden als gemeenschapszin, solidariteit en compassie. Zonder slag of stoot zal dat helaas niet meer gaan. Het is de vraag of we het aankunnen dat het even niet meer zo goed voelt?
